Hoofdstuk 28

==

Lou keek bijna wanhopig naar Phils rommel in een hoek van de zolder: scheerapparaten die hij allang door nieuwere versies had vervangen, drie stokoude draagbare televisies, lampen en andere voorwerpen uit zijn vrijgezellentijd. Ze wist nog dat ze al die spullen naar zolder had gebracht toen ze bij hem introk. Het was zwaar werk om alles naar beneden te sjouwen en al snel zag ze eruit als een dickensiaans schoorsteenvegertje. Haar haar stond stijf van het stof en onder de paar nagels die nog niet gebroken waren zat zoveel vuil dat ze waarschijnlijk nog dagen met rouwrandjes zou lopen.

Ze stelde zich een heerlijk schuimbad voor, maar meteen daarop volgde de heel wat minder plezierige gedachte aan Keith Featherstone, en ze vroeg zich af of ze het geld gewoon moest afschrijven en iemand anders moest nemen om de badkamer af te maken. Dan hoefde ze daar tenminste niet meer van wakker te liggen. Aan de andere kant had ze hem héél riant betaald, en waarom zou ze hem toestaan dat zomaar op te strijken? Hoe vervelend het ook was, ze moest die ellendeling achter de broek blijven zitten.

Ze hield een korte lunchpauze met een groot glas mineraalwater met prik en een dubbele boterham met ei en bosuitjes om energie op te doen voor de taak die haar te wachten stond. Haar maag was de laatste tijd duidelijk gekrompen, want ze voelde zich na de boterham helemaal voldaan, maar toch stak ze automatisch haar hand uit naar de koektrommel. Het chocoladekoekje had net haar lippen bereikt toen ze besefte dat ze er helemaal geen trek in had; het was een gewoonte, meer niet. Ze gooide de rommel in huis weg, maar ze bleef rommel eten. Lou gooide het koekje weg en ging terug naar boven.

Op zolder vond ze een doos vol souvenirs van school, waaronder een tas die ze had gekregen van een penvriendin uit Australië en die was gemaakt van het scrotum van een kangoeroe. Er zaten ook tekeningen en schriften in, en een kladschrift voor het oefenen in schoonschrijven. ‘Ik haat Shirley Hamster’ stond er op de kaft. Verder vond ze haar oude dagboek terug, met een foto van haarzelf toen ze acht was op de eerste pagina. Ze bladerde erin en kwam bij het verhaal over die keer dat haar vader met haar naar de dierentuin was geweest en ze voor het eerst ijsberen had gezien. Wat kon ze zich die dag nog levendig herinneren. Toen haar vader de kaartjes had gekocht, had zij een blauw mapje gekregen met de kop van een zebra erop. Ze hadden samen op een bankje gezeten en chips gegeten, en in de souvenirwinkel twee stenen beertjes gekocht, voor haar moeder en haar kleine zusje.

Even had Lou het gevoel dat ze terugging in de tijd, dat ze weer klein was en kon genieten van een onbezorgde jeugd. Het kleine meisje op de foto had er geen idee van gehad dat haar vader een paar jaar later zou overlijden, dat hij er niet haar hele leven voor haar zou zijn, dat ze niet op hem zou kunnen steunen toen ze tot de ontdekking kwam dat niet alle mannen zulke schatten waren als hij. Ze kon dat meisje niet behoeden voor het verdriet dat ze nog zou krijgen, maar ze zou haar wel graag willen knuffelen.

De volgende vondst was een kapotte koekoeksklok die haar vader ooit voor haar had meegenomen uit Duitsland. Victorianna had de klok tijdens een van haar driftbuien van de muur getrokken, waarna Lou haar kleine zusje aan haar vlechten naar buiten had gesleurd en haar met haar gezicht omlaag op de composthoop had geduwd. Lou stopte de klok in een vuilniszak, en haalde hem er meteen weer uit. Het voelde alsof ze opnieuw afscheid nam van haar vader, en ze kreeg tranen in haar ogen.

Na lang en diep nadenken kwam ze tot de conclusie dat ze geen kapotte klok nodig had om zich te herinneren hoe ze vroeger haar kamer was binnengekomen en de klok had zien hangen. Haar moeder had geklaagd dat ze ’s nachts wakker werd van de koekoek, maar haar vader had bepaald dat de klok mocht blijven, en na een tijd waren ze allemaal gewend geraakt aan Klaus de koekoek. Het was geen verraad aan haar vader om de klok weg te gooien; ze gooide hém niet weg, ze gooide alleen een kapotte klok weg.

Hoe belachelijk het ook was, ze gaf de klok een kusje en zei: ‘Dag, Klaus,’ voordat ze hem dapper in de vuilniszak liet verdwijnen.

Vervolgens maakte ze een koffer open met oude zomerkleren van hun reisje naar Korfoe: een sarong, felgekleurde T-shirts en Phils sandalen, dingen die zo groot waren als boten en waarin ze naar huis hadden kunnen varen als hun vlucht was gecanceld. Wat hadden ze er samen om gelachen. Er zat een rode korte broek van hem in die nu met geen mogelijkheid meer zou passen, toegangskaartjes van bezienswaardigheden en schelpen. Het was de laatste keer dat ze echt gelukkig was geweest met Phil – hun ontdekking van de zonovergoten baai waar ze snorkelden tussen de vissen, de hapjes die ze hadden gegeten in een taverne, in de schaduw van citroenbomen, en de sardientjes uit blik die ze aan de straatkatten had gevoerd.

Lou had het tijdschriftartikel niet nodig om te begrijpen dat ze deze koffer had bewaard omdat ze vast wilde houden aan een droomvakantie, toen Phil haar nog aantrekkelijk had gevonden. Hoeveel aandenkens ze ook bewaarde, ze kon niet terug naar de tijd voordat Phil en zij uit elkaar waren gegroeid, voordat Phil een verhouding met Susan Peach had gekregen. Ze zeulde de zware koffer de trap af en ging in één moeite door naar de container. Het gemakkelijkste was achter de rug.

Lou wist maar al te goed wat ze zou vinden in de dozen en plastic zakken die nu al twee jaren stonden te verstoffen op zolder. Handtassen en schoenen die ze had gekocht toen Phil bij haar weg was, aankopen waarmee ze had geprobeerd de krater in haar hart op te vullen – vijf seconden soelaas voor elke dertig pond. Honderden ponden had ze uitgegeven aan artikelen die ze nooit had gebruikt of gedragen, alleen maar omdat ze haar aan die intens verdrietige tijd herinnerden. En aan de ergste decembermaand die ze ooit had meegemaakt. In de aanloop naar Kerstmis was ze een droevig eiland te midden van feestelijkheden geweest, bijna voortdurend in tranen. Ze had plichtmatig kerstinkopen gedaan, hevig verlangend naar januari, wanneer het allemaal achter de rug zou zijn. Overal hoorde ze sentimentele kerstliedjes, en dan had het haar de grootste moeite gekost om niet weer in huilen uit te barsten. In elke winkel werd ze gekweld door ‘Simply Ha-a-ving a Wonderful Christmas Time’, en ze had zich voorgenomen om Paul McCartney de plaat door zijn strot te duwen als ze hem ooit zou ontmoeten.

Ook zonder het artikel erop na te slaan wist ze dat ze al deze spullen bewaarde omdat ze zich gedwongen voelde er gebruik van te maken. De prijskaartjes fungeerden als emotionele chantage: Je kunt ons niet weggooien, we waren veel te duur. Ze was geleefd door deze spullen, besefte ze. Ze probeerden haar leven binnen te dringen, samen met alle negatieve gevoelens die ze bij haar opriepen. Nou, ze wilde die spullen niet, hoe mooi ze ook waren. Ze werd al verdrietig als ze ernaar keek.

Terwijl ze alles naar beneden droeg, bedacht ze dat een goed doel er dolblij mee zou zijn. Haar zou het een goed gevoel geven als ze gekocht en gebruikt zouden worden en de opbrengst naar een goed doel zou gaan. Het was een win-winsituatie. Ze ging ermee naar de garage en legde de zakken in de kofferbak van haar auto. Maandagochtend zou ze de hele handel afleveren, voordat ze naar haar werk ging.

==

De telefoon ging, maar Lou besteedde er geen aandacht aan. Er was nog één hoek over die opgeruimd moest worden, en dat moest ze nu doen, zonder onderbrekingen. Ze zette zich schrap, haalde diep adem en trok het stoflaken weg waarmee ze de spullen jaren geleden had afgedekt. Daar stond het allemaal, de onderdelen van het ledikantje dat nooit in elkaar was gezet, de tasjes met zachte babykleertjes, nog in de verpakking, een babyfoon, luiers, lakentjes, dekens waar de mot in zat, en een mobile met wollige lammetjes die nooit boven een slapende baby had gehangen. Maar pas toen ze het tasje met piepkleine witte sokjes openmaakte zakte ze in elkaar op de vloer. En toch zeiden mensen dat je geen verdriet kon hebben van wat je nooit had gehad.

Kort nadat ze waren getrouwd, had Phil plotseling aangekondigd dat hij geen kinderen wilde, en hoe ze ook had gebeden en gesmeekt, hij was onvermurwbaar geweest. Twee jaar later kondigde hij al even plotseling aan dat ze het best konden proberen, als zij nog steeds kinderen wilde. Met een zwierig gebaar had Lou het doosje met de pil weggegooid, zielsblij, maar hoe vaak ze het ook deden, de baby naar wie ze zo verlangde kwam niet.

Ze begon te fantaseren over verzoening tussen Phil en zijn tweeling, over logeerpartijen. Ze stelde zich voor dat ze snoep en speelgoed voor hen kocht, bedacht zelfs dat ze twee van hun logeerkamers als kinderkamers zou inrichten, maar die droom was in rook opgegaan op de dag dat ze de moeder met haar tweeling waren tegengekomen in Meadowhall.

‘Godsamme, daar heb je Sharon met de kinderen,’ had Phil vol afschuw uitgeroepen.

Lou ving niet meer dan een vluchtige glimp van het drietal op. De blonde vrouw was inderdaad een schoonheid – als Phil haar onzekerheid wilde aanwakkeren, haalde hij met een weemoedige zucht herinneringen op aan de beeldschone Sharon. Maar haar aandacht was in de eerste plaats uitgegaan naar de kinderen. Plaatjes waren het, met honingkleurig haar, grote chocoladebruine ogen en dikke, donkere wimpers. Hoe was het mogelijk dat hun vader hen niet wilde? Maar Phils extreme reactie maakte duidelijk dat Lou zelfs een rol als stiefmoeder wel kon vergeten. Ze had hem nooit verteld hoeveel verdriet ze na deze ontmoeting had gehad, hoe vaak ze hun gezichtjes voor zich zag. Als ze ’s nachts wakker lag, probeerde ze zich voor te stellen hoe hun eigen zoon en dochtertje eruit zouden zien. Maar toen had ze nog hoop gehad dat ze zelf kinderen zou krijgen, en die hoop was met elke maandelijkse bloeding stukje bij beetje weggevloeid.

En toen, niet lang nadat Phil na zijn affaire met Susan Peach weer bij haar was teruggekomen, werd Lou niet meer ongesteld. Dat niet alleen, haar tepels waren extra gevoelig en ze was misselijk. Een zwangerschapstest was niet nodig; Lou wist zeker dat ze in verwachting was. Natuurlijk was het niet verstandig om meteen babyspullen te kopen, maar aan de andere kant, wat kon het nou voor kwaad? De spulletjes bevestigden haar zwangerschap en vervulden haar van een ongekend geluk. Ze verheugde zich erop om voor de eerste echo naar het ziekenhuis te gaan. In het ziekenhuis was een winkel, waar ze de sokjes had gekocht, vlak voordat ze de voetjes zou zien die ze op een zag zouden dragen.

De arts was heel erg aardig geweest. Uit de echo, en de urinetest, bleek dat er geen baby was. Hij had uitgelegd hoe wreed het menselijk lichaam kon zijn, door zwangerschapsverschijnselen te vertonen die niet van echt te onderscheiden waren.

‘Schijnzwanger?’ had Renee gezegd. ‘Ik dacht dat alleen honden daar last van hadden.’

‘Kop op, schatje,’ had Phil gezegd, toen ze hem die avond in tranen vertelde dat er geen baby groeide in haar schoot. Hij had zijn opluchting verhuld en haar getroost met de woorden: ‘Je kunt niet missen wat je nooit hebt gehad.’

==

Lou kon het niet over haar hart verkrijgen om de babyspullen weg te geven. Ze roken naar haar verdriet, niet het beste begin voor een pasgeboren baby – een baby die altijd van iemand anders zou zijn. Inmiddels wist ze dat ze haar droom om moeder te worden geen stap dichterbij had gebracht door deze spullen te bewaren; integendeel, ze herinnerden haar alleen maar aan wat ze nooit zou zijn.

Terwijl ze alle spullen in de container gooide, wist ze dat ze voorgoed afscheid nam. Het voelde alsof ze een stuk van haar hart uit haar lijf had gerukt en ook dat had weggegooid.

Ze ging weer naar boven om de nu lege zolder te vegen, nauwelijks in staat om door haar tranen heen te zien wat ze deed. Op een gegeven moment kon ze de pijn niet meer aan, liet ze de bezem los en zakte ze op haar knieën in elkaar, snikkend, huilend, schreeuwend van een alles verterend verdriet. De tranen trokken schone sporen over haar groezelige wangen en ze proefde zout op haar lippen. Nu ze haar droom had opgegeven, letterlijk had weggegooid, voelde ze zich heel erg leeg en verloren – en vreselijk alleen.

==

Om vier uur precies reed Tom achteruit de oprit op. Ze kwam niet naar buiten om hem te begroeten, dus liet hij Clooney in de cabine achter. Zodra hij zag wat er in de container lag, begreep hij volkomen waarom ze alles zo snel mogelijk wilde laten weghalen. Wat zou ze allemaal gevoeld hebben toen ze afstand deed van deze spullen? Hij voelde haar verdriet extra sterk op deze dag – nu zijn zus Sammy net het leven had geschonken aan een dochtertje.

Het was niet zijn gewoonte om te kloppen als hij een container ophaalde. Ook nu was er geen reden voor, en toch klopte hij luid op Lous deur. Hij had het gevoel dat ze thuis was, en al was het nog zo ongepast, hij wilde graag weten hoe het met haar ging. Nee, meer dan dat, hij wilde zijn armen om haar heen slaan en haar vasthouden.

Lentekriebels
978 90 499 5217 4.xhtml
978 90 499 5217 4-1.xhtml
978 90 499 5217 4-2.xhtml
978 90 499 5217 4-3.xhtml
978 90 499 5217 4-4.xhtml
978 90 499 5217 4-5.xhtml
978 90 499 5217 4-6.xhtml
978 90 499 5217 4-7.xhtml
978 90 499 5217 4-8.xhtml
978 90 499 5217 4-9.xhtml
978 90 499 5217 4-10.xhtml
978 90 499 5217 4-11.xhtml
978 90 499 5217 4-12.xhtml
978 90 499 5217 4-13.xhtml
978 90 499 5217 4-14.xhtml
978 90 499 5217 4-15.xhtml
978 90 499 5217 4-16.xhtml
978 90 499 5217 4-17.xhtml
978 90 499 5217 4-18.xhtml
978 90 499 5217 4-19.xhtml
978 90 499 5217 4-20.xhtml
978 90 499 5217 4-21.xhtml
978 90 499 5217 4-22.xhtml
978 90 499 5217 4-23.xhtml
978 90 499 5217 4-24.xhtml
978 90 499 5217 4-25.xhtml
978 90 499 5217 4-26.xhtml
978 90 499 5217 4-27.xhtml
978 90 499 5217 4-28.xhtml
978 90 499 5217 4-29.xhtml
978 90 499 5217 4-30.xhtml
978 90 499 5217 4-31.xhtml
978 90 499 5217 4-32.xhtml
978 90 499 5217 4-33.xhtml
978 90 499 5217 4-34.xhtml
978 90 499 5217 4-35.xhtml
978 90 499 5217 4-36.xhtml
978 90 499 5217 4-37.xhtml
978 90 499 5217 4-38.xhtml
978 90 499 5217 4-39.xhtml
978 90 499 5217 4-40.xhtml
978 90 499 5217 4-41.xhtml
978 90 499 5217 4-42.xhtml
978 90 499 5217 4-43.xhtml
978 90 499 5217 4-44.xhtml
978 90 499 5217 4-45.xhtml
978 90 499 5217 4-46.xhtml
978 90 499 5217 4-47.xhtml
978 90 499 5217 4-48.xhtml
978 90 499 5217 4-49.xhtml
978 90 499 5217 4-50.xhtml
978 90 499 5217 4-51.xhtml
978 90 499 5217 4-52.xhtml
978 90 499 5217 4-53.xhtml
978 90 499 5217 4-54.xhtml
978 90 499 5217 4-55.xhtml
978 90 499 5217 4-56.xhtml
978 90 499 5217 4-57.xhtml
978 90 499 5217 4-58.xhtml
978 90 499 5217 4-59.xhtml
978 90 499 5217 4-60.xhtml
978 90 499 5217 4-61.xhtml
978 90 499 5217 4-62.xhtml
978 90 499 5217 4-63.xhtml
978 90 499 5217 4-64.xhtml